Niet meewerken aan re-integratie: ontslag op staande voet en geen WW

Niet meewerken aan re-integratie: ontslag op staande voet en geen WW

Het opzegverbod tijdens ziekte geldt niet wanneer een zieke werknemer wordt ontslagen wegens een dringende reden. Maar wanneer is er sprake van een geldige dringende reden teneinde een zieke werknemer te ontslaan? In dit verband heeft de Hoge Raad bepaald dat voor een ontslag op staande voet onvoldoende is dat de zieke werknemer weigert om voorschriften omtrent het ziekteverzuim na te leven. In dat geval staat de mogelijkheid om het loon van de zieke werknemer op te schorten open voor de werkgever. Voor een ontslag op staande voet zijn bijkomende omstandigheden benodigd. Welke bijkomende omstandigheden een ontslag op staande voet rechtvaardigen is afhankelijk van het specifieke geval, maar deze omstandigheden worden doorgaans niet snel aanwezig geacht.

Passende arbeid en aangaan van het gesprek weigeren

Alhoewel een dringende reden voor ontslag van een zieke werknemer niet snel wordt aangenomen, oordeelde de kantonrechter te Amsterdam in de hier te bespreken zaak dat er wel degelijk een dringende reden bestond om de arbeidsovereenkomst met de werknemer voorwaardelijk te ontbinden (nadat de werkgever de zieke werknemer op staande voet had ontslagen), omdat de zieke werknemer structureel weigerde passende arbeid te verrichten en niet wilde praten met de werkgever over de re-integratie.

Vervolgens heeft het UWV de werknemer een WW-uitkering geweigerd, omdat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, dat wil zeggen op grond van een dringende reden is ontslagen. De werknemer heeft deze beslissing van het UWV aangevochten tot aan de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in sociale zekerheidszaken. De CRvB heeft in zijn beslissing van 8 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8169) – onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad – aangegeven dat het enkele feit dat het niet verrichten van passende werkzaamheden door een (zieke) werknemer geen arbeidsrechtelijke dringende reden oplevert. De CRvB oordeelt vervolgens dat de weigering van de werknemer om in gesprek te gaan met de werkgever over haar re-integratie – in aanvulling op het weigeren navolging te geven aan het advies van de bedrijfsarts – wel is aan te merken als een arbeidsrechtelijke dringende reden. De WW-uitkering is derhalve terecht door het UWV geweigerd.

De beslissing van de CRvB maakt duidelijk dat een werknemer zich – in ieder geval – bereid dient te tonen het dialoog met de werkgever aan te gaan. Houdt de werknemer zich volledig afzijdig, dan kan ontslag op staande voet en weigering van een WW-uitkering het gevolg zijn.